Frederique Defesche: Voltooid leven in Nederland [recensie]

Frederique Defesche
Voltooid leven in Nederland. Wat ouderen ervaren, willen en doen als zij het leven
voltooid vinden.

Van Gorcum, Assen 2011, ISBN folioboek 978 90 232 4911 5, ISBN eboek 978 90 232 4912
2, 216 pag. , €27,50

(Eerder verschenen in Tijdschrift Geestelijke Verzorging 67, p. 64 (2012))

‘Een interessant boek over een onderwerp dat in opkomst is.’ Dat was mijn eerste gedachte
na het lezen van de kwalitatieve studie die Defesche, directeur van een Amsterdams
onderzoeksbureau, maakte als vervolg op een ongepubliceerde opiniepeiling door Maurice
de Hond in opdracht van de NVVE ter gelegenheid van de ‘week van het voltooide leven’
in 2010. Defesche interviewde ruim zeventig ouderen over ouderdom, leven, dood en de
houding ten opzichte van een zelf gewenst levenseinde. Vervolgens schilderde ze een mooi
en wat mij betreft ook herkenbaar beeld van ouderen die niet meer veel verwachten van
het leven en voor wie de dood niet noodzakelijk een vijand is. Het boek richt zich dan ook
vooral op die ouderen die het leven als steeds zwaarder en negatiever ervaren en die een
aanhoudende doodswens ontwikkelen. Defesche schat dat slechts een klein deel van de
ouderen in Nederland in deze positie terecht komt. Bovendien slaat slechts weer een klein
deel van die ouderen de weg in van een zelfverkozen levenseinde door middel van euthanasie,
bewust stoppen met eten en drinken of het innemen van dodelijke medicijnen.

Toch zijn de kleine aantallen waarom het in de praktijk gaat wat mij betreft geen reden om het
boek niet te lezen. Ten eerste is de discussie rondom ‘voltooid leven’ een van de onderwerpen
in het publieke debat waarin seculiere en confessionele stemmen op een dikwijls niet zo
constructieve manier op elkaar botsen. Dit boek laat, mogelijk als eerste, betrokkenen zélf aan
het woord en biedt zo de kans principes en opinies te toetsen aan feiten. Ten tweede vermoed
ik dat juist geestelijk verzorgers in zorginstellingen grote kans lopen om in gesprek te raken
met ouderen met doodsgedachten en ouderen die nadenken over een zelfgekozen levenseinde.
De ouderen in een zorginstelling zijn beroofd van hun vertrouwde omgeving en dikwijls ook
van hun levenspartner en dat blijken volgens het onderzoek van Defesche twee belangrijke
redenen te zijn waarom mensen blijvend hun kracht om verder te leven verliezen. Welke
geestelijk verzorger hoort niet dikwijls ‘geef mij maar een spuitje’, ‘van mij hoeft het allemaal
niet meer’, ‘wanneer mag ik dood?’ en ‘het is op’? Defesche ontwikkelt in haar studie een
tentatief model (‘stadia in voltooid leven’) waarmee de geestelijk verzorger kan proberen
zijn ervaringen met voltooid leven te ordenen of te doordenken. Ten derde laat de peiling van
De Hond duidelijk zien dat de meerderheid van de Nederlanders inmiddels seculier is en een
zelfgekozen levenseinde ziet als een goede manier voor waardig sterven. Dit lijkt me met
name voor confessionele collega’s (en bij mijn weten vormen die vooralsnog een meerderheid
in onze beroepsgroep) een wake up call om de seculiere posities over leven en dood echt
serieus te nemen.

Terug naar Defesches studie. Het boek is gestructureerd volgens de weg die ouderen afleggen
naar een zelfgekozen levenseinde. Om te beginnen constateert zij dat moderne mensen, in
tegenstelling tot mensen vroeger, relatief onervaren zijn met de dood. De dood is naar de
marge van het bestaan verdongen, onder meer door de sterk verbeterde medische zorg en door
culturele ontwikkelingen (het ontwikkelen van de privésfeer waardoor dood minder openlijk
en gezamenlijk wordt beleefd). In veel gevallen is de dood een taboe dat het voor ouderen
en hun familieleden en hulpverleners moeilijk maakt om over leven, dood en levenseinde te
spreken. Defesche realiseert zich daarom dat het lang kan duren voordat ouderen over hun
doodswens met anderen durven te praten. Dat geldt evenzeer voor familieleden en artsen. Zij

bevinden zich in het spanningsveld van meedenken over de wensen van vader of moeder en
verzet tegen de dood van iemand die veel voor je heeft betekend en waarvan je geen afscheid
wilt nemen. Dokters twijfelen dikwijls of de voltooid-levenproblematiek wel een grond is
voor euthanasie of hulp bij zelfdoding. Artsen interpreteren lijden vooral in medische en
fysieke zin en begeven zich over het algemeen niet graag op het gladde ijs van het lijden aan
het bestaan in het algemeen. Een doel van het boek is zeker om deze spanningen rondom het
onderwerp voltooid leven te doorbreken en een en ander bespreekbaar te maken.

Ouderen die langer nadenken over een zelfgekozen levenseinde komen gaandeweg tot de
conclusie dat die route ook moreel aanvaardbaar voor hen is. Dit is volgens Defesche een
belangrijke stap in het proces, omdat zonder morele aanvaardbaarheid voor de persoon zelf
niemand de laatste stap in het proces van een vrijwillig levenseinde durft te zetten. Defesche
constateert dat in dit proces de morele wereld van de oudere steeds kleiner wordt en dat wat
de omgeving, de kerk of de samenleving van zelfdoding vindt steeds minder belangrijk wordt.
Steeds meer komt op de voorgrond de vraag ‘wie helpt mij?’ en worden wetten en zedenleren
van minder belang. Defesche haalt in dit verband leading primatologist Frans de Waal aan
die in zijn boek Our inner ape (2006) stelt dat het er in het dierenrijk bij apen ook zo aan toe
gaat. Emoties zijn leidend en helpen is goed en in de steek laten fout. Wat te denken valt van
deze koppeling tussen de dierenethiek van De Waal en het vraagstuk van voltooid leven, laat
ik even in het midden, maar voor mij ligt hier een aanwijzing dat het debat tussen seculieren
en confessionelen in Nederland inzake voltooid leven wellicht eerder een politiek vraagstuk
is dan een levensbeschouwelijk. Hoe wegen we de belangen van het individu en dat van de
samenleving tegen elkaar af? Gelden er aan het bed van een kwetsbare oudere andere regels
over leven en dood dan op straat? En hoe zou je dat kunnen bepalen? Je kunt de zaak zowel
van bovenaf (samenleving, wetten, principes) als van onderop (eigen ervaring en emoties)
bekijken. Defesche voegt met haar empirische studie een waardevol element aan de discussie
over voltooid leven in Nederland toe.

Archie de Ceuninck van Capelle
geestelijk verzorger De Wever in Tilburg

Eens goed uit de band springen? [boekenessay]

Boekenessay

Eens goed uit de band springen?
Op zoek naar ruimte voor nieuwe leefstijlen en generaties in onze ‘klantenking’

Door Archie de Ceuninck van Capelle, geestelijk verzorger bij de Wever in Tilburg

[Eerder gepubliceerd in Tijdschrift Geestelijke Verzorging 64, p. 51 (2011)

Gelezen:

Pieter van Dijk, Heleen Crul, Ger Tielen: De Generatiecrisis. Kenmerken en kansen. Amsterdam:
Uitgeverij SWP, 2010, 192 pagina’s, ISBN 9789088501463, ca. 21 euro.

Carsten Wipperman, Marc Calmbach: Lebenswelten von katholischen Jugendlichen und
Jungen Erwachsenen. Grundorientierung, Vergemeinschaftung, Engagement, Einstelling
zu Religion/Kirche vor dem Hintergrund der Sinus-Milieus ® 2007. Sozialwissenschaftliche
Lebensweltanalysen von Sinus Sociovision, im auftrag von BDKJ und MISEREOR. Düsseldorf,
Verlag Haus Altenberg, 2008, 696 pagina’s, ISBN 9783776102154, ca, 55 euro. (Sinus-
MilieuStudie-U27)

Eindrapport Bezinningsproces Protestantse Gemeente Amstelveen-Buitenveldert. Amstelveen:
Protestantse Gemeente Amstelveen-Buitenveldert, 2010. (webuitgave)

Wie zijn onze klanten?

De vraag “wie zijn de klanten voor de geestelijk verzorger?” wordt door verschillende mensen in
de zorg gesteld. Zo is er de directeur die bij het vertrek van een geestelijk verzorger (vandaag de
dag dikwijls door pensionering) een overweging moet maken of en op welke manier de ontstane
vacature opnieuw wordt ingevuld. Daarin speelt de vraag in hoeverre geestelijke verzorging
tegemoet komt aan de behoeften van ‘de klant’ mede een rol. Verder kunnen de verpleegkundige
en andere professionals in de zorg met deze vraag te maken krijgen als ze benaderd worden door
de geestelijk verzorger van de afdeling of er mensen voor hem zijn. Dikwijls blijkt het dan dat
de geestelijk verzorger en de verpleegkundige een heel verschillend beeld hebben van het beroep
geestelijke verzorging. Vaak blijft dat ook zo over langere tijd, omdat veel zorginstellingen een
groot verloop hebben onder het personeel. Eventuele ‘gaten’ tussen beeldvorming en praktijk
moeten constant ‘bijgewerkt’ worden. Tenslotte wordt de vraag “wie zijn de klanten voor de
geestelijk verzorger?” ook door onze de beroepsgroep zelf gesteld.

Toen in Nederland halverwege vorige eeuw de ontkerkelijking begon, stapten de meeste pastorale
diensten over van categoriaal naar territoriaal werken en was de klant te vinden op de afdeling die
aan de betreffende geestelijk verzorger was toevertrouwd. Alle patiënten op de afdeling werden
bezocht, niet alleen de mensen van de eigen confessie, zoals voorheen. Het territoriale werken staat
aan het begin van de eenentwintigste eeuw echter onder druk, omdat in Nederland in toenemende
mate de zorg wordt georganiseerd rondom de behandelingen en verder verblijf en behandeling van
elkaar losgekoppeld worden. Ziekenhuizen worden behandelplaatsen en in verpleeghuiszorg is in
toenemende mate alleen nog voor de allerzwaarste ‘gevallen’ beschikbaar . De overigen huren zelf
een (zorg) appartement en ‘kopen’ daarbij de benodigde behandeling (en zorg) separaat in. Omdat
geestelijke verzorging in de logica van de meeste zorginstellingen niet hoort bij “behandeling” maar
bij “verblijf”, ontstaat er nu voor geestelijk verzorgers een situatie waarin territoriaal werken niet
meer een voordeel is (als reactie op de ontkerkelijking), maar een nadeel (gezien het poliklinische
en ambulante karakter van zorg). De ‘klant’ van de geestelijk verzorger zit in toenemende mate
op de polikliniek, in de dagopvang of gewoon ergens in een appartement. Hoe kom je daar? Er
lopen momenteel verscheidene ‘pilots’ en initiatieven voor poliklinische en extramurale geestelijke
verzorging, maar mijn indruk is dat opvolger voor de nu nog algemene territoriale werkwijze nog
niet gevonden is.

Een van de ‘erfenissen’ van de territoriale werkwijze (en wellicht ook van de diaconale en
oecumenische variant van categoriaal werken) is dat ‘iedereen’ ‘klant’ kan zijn van de geestelijk
verzorger. Toen een paar jaar geleden in de zorg werd overgeschakeld van aanbod- naar
vraaggestuurde zorg (en dito financiering), kwam echter dit ‘iedereen’ onder druk te staan. Voorheen
had iedereen toegang tot dezelfde voorzieningen. Nu is het zo dat per individu wordt bekeken wat
de behoeften zijn en wordt daar vervolgens een bepaald ‘serviceniveau’ zorg (zorgzwaartepakket)
en behandeling (diagnosebehandelcombinatie) aan gekoppeld. Tegelijkertijd met het vraaggestuurd
werken raakte het marketingdenken in de zorg in zwang en ‘ontdekte’ men ‘doelgroepen’ die
specifieke sociale en culturele kenmerken hadden waar men op kon ‘inspelen’.

Het vraaggericht werken en het gedifferentieerd denken over de adressanten van zorg begint nu
mondjesmaat ook door te dringen in de wereld van geestelijke verzorgers. Met regelmaat wordt
in publicaties over geestelijke verzorging in dit tijdschrift het rapport van de Wetenschappelijke
Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) Geloven in het publieke domein (2006) aangehaald, een
verkenning die onder andere stelt dat religie in Nederland bezig is aan een come back, maar wel
veel pluriformer en individueler is dan vroeger. Geconstateerd wordt in zulke bijdragen dat het
religieuze landschap in Nederland sterk veranderd is en dat ons vak zich daar rekenschap van zou
moeten geven. Met name voor de ongebonden zinzoekers zouden de (confessionele) geestelijk
verzorgers weinig te bieden hebben. Met dit essay wil ik meewerken aan de beweging die probeert
het denken over geestelijke verzorging (gebonden en ongebonden) mede te oriënteren aan de
relatief nieuwe levensbeschouwelijke en culturele werkelijkheden waarmee we te maken hebben.
Hoe ziet deze werkelijkheid eruit? En wat zouden geestelijk verzorgers kunnen doen om in deze
werkelijkheid zinvol en creatief aanwezig te zijn?

Een presentatie van de drie gelezen boeken

Een drietal werken staat in dit essay centraal: De Generatiecrisis (2010), Lebenswelten von
katholischen Jugendlichen und Jungen Erwachsenen (2008) en Eindrapport Bezinningsproces
Protestantse Gemeente Amstelveen-Buitenveldert (2010). Lebenswelten en het Eindrapport zijn
interessant omdat ze het sociale model uit Geloven in het publieke domein (de acht zogenaamde
Mentality Milieus) toepassen op een terrein dat niet (meer) helemaal samenvalt met geestelijke
verzorging, maar daar nog wel nauw aan verwant is: het terrein van de kerken. Lebenswelten werd
gemaakt in opdracht van twee grote Duitse katholieke organisaties, de BDKJ (Bund der Deutschen
Katholischen Jugend) en Bischöfliches Hilfswerk MISEREOR. Het Eindrapport werd gemaakt voor
de Protestantse Gemeente Amstelveen-Buitenveldert, ondersteund door het missionair bureau van
de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). De Generatiecrisis is in tegenstelling tot de andere twee
werken geen onderzoeksrapport, maar een pleidooi om positiever om te gaan met de verschillen
tussen de generaties in Nederland. De drie auteurs, Pieter van Dijk, Heleen Rul en Ger Tielen
stellen dat ‘de jeugd van tegenwoordig’ er in het maatschappelijk debat te bekaaid vanaf komt en
pleiten voor een maatschappijvisie waarin de verschillende generaties als waardevolle delen van één
en hetzelfde maatschappelijke weefsel functioneren. Aan de “babyboomers” of “protestgeneratie” is
volgens de auteurs (allemaal zelf babyboomers) de taak om het zicht op dit weefsel te herstellen. De
babyboomers staan als generatie midden tussen de vooroorlogse en de “stille generatie” boven hen
en de “generatie x”, de “pragmatische generatie” en de “generatie Einstein” onder hen, in. Voor hun
eenheidsstichtende taak hebben de babyboomers, nu zij met pensioen gaan, ook de tijd.

Wat levert denken in sociale milieus en generaties op?

Wat mij het meest opvalt in de drie boeken is dat als je het generatiedenken en het denken en

sociale milieus combineert, naar voren komt hoe historisch bepaald de Mentality Milieus zijn.
De Sinus- of Mentality Milieus zijn groepen consumenten die door marketingonderzoek vanaf
eind jaren zeventig van de vorige eeuw geïdentificeerd zijn en die geclassificeerd kunnen worden
middels maatschappelijke status (laag, gemiddeld, hoog) en waarden (behouden, bezitten,
verwennen, ontplooien, beleven). Vóór die tijd (de jaren zeventig) was de generatie waarin
je was opgegroeid het meest bepalend voor hoe mensen dachten en voelden. De opkomst van
de consumptiemaatschappij vanaf eind jaren vijftig bracht hierin verandering. De zaken die
consumenten aanschaften waren vanaf die tijd niet alleen nuttig (zoals dat voor de vooroorlogse
en de stille generatie het geval was geweest), maar vormden ook een expressie van de persoonlijke
identiteit. Daardoor ontstond er een veel grotere variëteit aan leefstijlen in Nederland als voorheen
het geval was. Er zijn leefstijlen aan te wijzen die groeien en die krimpen. De Duitse studie stelt
wat dit betreft de leefstijlen “traditionele burgerij” en “opwaarts mobielen” tegenover elkaar.
Zeker onder jongeren (de Duitse studie deed onderzoek naar de “pragmatische generatie” en de
“generatie Einstein”) is de leefstijl “traditionele burgerij” sterk aan krimp onderhevig, terwijl de
leefstijl “opwaarts mobielen” onder een toenemende belangstelling mag rekenen. Foto’s op de
website van Motivaction van bijpassende interieurs (respectievelijk een gemiddelde kamer in een
verzorgingshuis en een loft in de grote stad) maken dit heel aannemelijk. Het appèl dat beide foto’s
doen verschilt hemelsbreed!

Een ander opvallend gegeven in de Duitse studie en ook De Generatiecrisis zie ik in het
gegeven dat er tussen generaties en leefstijlen blokkades zitten. Met name de leefstijl
“gemaksgeoriënteerden” moet het daarbij zwaar ontgelden. Deze groep (op de foto van het
bijbehorende interieur is eigenlijk alleen maar een hele grote televisie te zien) wordt zowel door
de traditionele als moderne burgerij ‘gebruikt’ om zich tegen af te zetten (“daar hoor ik niet bij,
wij zijn niet zoals zij”). Een andere groep die grenzen trekt is die van de “opwaarts mobielen”. Zij
zien zich met de “postmaterialisten” (interieur met uitpuilende IKEA boekenkast) en “postmoderne
hedonisten” (rommelige studentenkamer) als een alternatief voor het burgerlijke en op zekerheid
gerichte bestaan. De indruk ontstaat dat niet iedereen overal even welkom is, vooral niet de
“gemaksgeoriënteerden”. De opkomst van de consumptiemaatschappij bracht kleur en fleur in de
tot dan toe door gezamenlijkheid getekende cultuur. Men kon een plaats zoeken waar men zich
méér thuis kon voelen. Een keerzijde was dat het gevoel allemaal te horen bij een en hetzelfde
geheel (ouderwetse gezelligheid) minder werd.

Een derde opvallend gegeven in de drie werken is de positie van de kerken te midden van de
sociale milieus en generaties. Wat betreft leefstijlen hebben de kerken alleen aansluiting bij
de “traditionele burgerij” en de “postmaterialisten”. Bij de overige zes leefstijlen ontbreekt de
aansluiting. Daarbij moet worden aangetekend dat “traditionele burgerij” als leefstijl onder
jongeren sterk aan krimp onderhevig is. De “postmaterialisten” vormen echter wél een stabiele
(maar kleine) groep. De kerken lijken niet de ‘hobbel’ genomen te hebben van de overgang van
de “collectieve” maatschappij naar de consumptiemaatschappij (om nog maar te zwijgen over
de digitale maatschappij). Wat betreft de generaties past dit het beste bij de vooroorlogse en de
“stille generatie”. Dit beeld zie ik bevestigd als ik vrijwilligers van de “stille generatie” mensen
van de vooroorlogse generatie naar de zondagse kerkdienst in het ziekenhuis geduwd zie worden.
Postmaterialisten in de kerken lijken zich meer bezig te houden met oecumene, milieu en sociaal
onrecht. Over de mogelijkheden om “kerk” te zijn binnen andere generaties en leefstijlen is
de Duitse studie somber. De neigen van kerken om mensen in te voegen in het grotere geheel
(passend bij de tijd van de volkskerken) zit er diep in. Nieuwere leefstijlen vragen juist om het
tegenovergestelde. Het gaat om zélf dingen ontplooien, zélf beleven. Dat vraagt om een andere
houding ten opzichte van jongeren. Die willen doorgaans niet ingevoegd worden. Die vragen zich
af hoe ze van deelname aan de kerk eventueel beter en ook ‘mooi’ (schön) zouden kunnen worden (
Lebenswelten, p. 31). Een antwoord daarop hebben de kerken doorgaans niet en zo maken jongeren
andere keuzes.

Discussie

Zoals in de inleiding van dit essay reeds gezegd, vormen de kerken in relatie tot leefstijlen en
generaties een casus die niet zonder meer te vergelijken is met die van geestelijke verzorging.
Ik zou onrecht doen aan veertig jaar geestelijke verzorging als ik stelde dat het wel zo was.
Maar toch! Zo nu en dan bekruipt twijfel mij. Ik ben nu tien jaar geestelijk verzorger en stel
vast dat mijn generatie (de “pragmatische generatie”) nog steeds nauwelijks in de beroepsgroep
vertegenwoordigd is. Dat is lastig, want aan leeftijdsgenoten refereer je jezelf het meest natuurlijk.
De kloof die Lebenswelten en het Eindrapport constateren tussen de kerken en de samenleving is
daarmee voor mij toch ook wel in de beroepsgroep herkenbaar. De pragmatische generatie, in de
samenleving toch alweer tien jaar aan het werk, is in beroepsgroep nog niet aangetreden (en dat zal
dus ook niet meer gebeuren).

Problematischer in de gelezen werken vind ik de stelling in De Generatiecrisis dat deze crisis
(het gebrek aan samenhang tussen de generaties en de kritiek op de jongere generaties) opgelost
zou kunnen worden door ontmoetingen en gesprekken, geëntameerd door babyboomers. Hoewel
er vast en zeker een empirische onderbouwing ontwikkeld is voor de zes generaties zoals die
gepresenteerd worden, geven de benamingen voor mij aan dat het hier vooral het perspectief van
de babyboomers in het geding is. De “stille” generatie staat in contrast met het verheffen van
de stem door de babyboomers (in De Generatiecrisis ook “de protestgeneratie” genoemd), de
pragmatische generatie staat in contrast met het (initiële) idealisme van deze groep, en de benaming
“Einstein generatie” (in De Generatiecrisis ook “de screenagers” genoemd) weerspiegelt voor mij
de verwonderde blik van de vaders en moeders die hun zonen en dochters begin jaren negentig een
stuk handiger met de desktop computer zagen omgaan als zijzelf. Ontmoetingen en gesprekken zijn
prima, zolang niet alleen je eigen perspectief, maar ook dat van anderen meetelt. De babyboomers
hadden en hebben het voordeel dat zij getalsmatig altijd het overwicht hebben gehad. Dit feit wordt
in De Generatiecrisis niet in overweging genomen, maar is wél een belangrijk element in de vraag
naar de generaties. De babyboomers waren in de recente geschiedenis van het Westen voorlopig de
laatsten die als jeugdigen de meerderheid vormden in de samenleving. Nu lijken we in het Westen
op een keerpunt te zitten. De babyboomers gaan met pensioen en voorlopig komen er jaarlijks meer
ouderen bij dan jongeren. Een situatie die in Nederland lang niet is voorgekomen. De situatie van de
babyboomers en de generaties na hen is daarmee heel verschillend.

Tot besluit

Na de ‘nieuwe’ levensbeschouwelijke en culturele werkelijkheden aan de hand van de casus van
twee katholieke organisaties in Duitsland en de Protestantse Gemeente Amstelveen-Buitenveldert
enigszins verkend en bediscussieerd te hebben, wil ik tot besluit terugkeren naar de vraag “wie
zijn de klanten voor de geestelijk verzorger?” Gezegd kan nu worden dat die klanten divers zijn
en dat er grote verschillen zitten tussen leefstijlen en generaties. De oudste groepen zijn nog in
een besef van gezamenlijkheid opgegroeid terwijl de jongere generaties gewend zijn individuele
keuzes te maken. Verder zijn deze mensen nog maar korte tijd in zorginstellingen. Zorg wordt
steeds poliklinischer en meer ambulant. Het komt mij voor dat de vraag naar de klanten van de
geestelijk verzorger sterk afhangt van een vraag die onze beroepsgroep eerst aan zichzelf moet
stellen: “Wie willen wij zijn?” Het lijkt me dat de geestelijk verzorger enigszins moet passen bij
de mensen die hij of zij moet begeleiden. Maar al te vaak wordt gezegd dat de geestelijk verzorger
er voor ‘iedereen’ is, maar volgens mij komt die gedachte nog uit de ‘oude doos’, een tijd waarin
mensen mindere individuele keuzes maakten en er minder verschillen waren tussen leefstijlen
en generaties. En zekere specialisatie en daarmee ook toelaten (of zelfs vieren) van verschillen
onder geestelijk verzorgers lijkt me daarom nodig. Staan de sterren daarvoor gunstig? Ik weet het
niet. Geestelijk verzorgers zij er trots op ondanks verschillen (confessie en werkveld) met elkaar

een zinnig verband te vormen. Dat is mooi. Maar blijft er dan wel voldoende ruimte over om ‘uit
de band’ te springen als dat nodig mocht zijn om vragen naar zin binnen andere leefstijlen en
generaties dan de gebruikelijke present te stellen?

Mondige burger of comapatiënt? [boekenessay]

Mondige burger of comapatiënt? Een moderne en een post-moderne visie op burgerschap, gezondheidszorg en religie

[Eerder gepubliceerd in Tijdschrift Geestelijke Verzorging 58, p. 67 (2010)]
James C. Kennedy: Bezielende verbanden. Gedachten over religie, politiek en maatschappij in het moderne Nederland. Amsterdam: Bert Bakker, ISBN 978 90 351 3238 2, 299 pag., EUR 22,50
Giorgio Agamben: Homo sacer. De soevereine macht en het naakte leven. Amsterdam: Boom-Parrèsia, 2002, ISBN 90 5352 829 6, 213 pag., EUR 26,00
door Archie de Ceuninck van Capelle*
Geestelijk verzorgers werken in toenemende mate in zorginstellingen die doelmatig bestuurd worden en staan tegelijkertijd steeds ambivalenter tegenover het ambtelijke aspect van hun professie. Deze twee ontwikkelingen houden waarschijnlijk verband met de ontzuiling van de Nederlandse maatschappij en de marginalisering van religie en de kerken. De ontzuiling schiep ruimte voor de invoering van een technische besturingsfilosofie en door de marginalisering van de kerken raakte het met de kerken verbonden ambt in diskrediet. Ontwikkelingen in de samenleving zijn van invloed op de ontwikkeling van professie en zorginstelling en daarom bespreek ik twee boeken die niet direct over geestelijke verzorging of zorginstellingen gaan, maar wel interessante visies bieden op de samenleving waarin beiden zich bevinden en ontwikkelen: Bezielende verbanden van historicus James Kennedy en Homo sacervan filosoof Giorgio Agamben. Het boek van Kennedy is een verzameling van zijn artikelen en toespraken over religie, samenleving en burgerschap van de afgelopen tien jaar. In zijn boek schetst hij een beeld van de recente geschiedenis van Nederland en komt hij tot een waardering van de huidige maatschappelijke situatie. Het boek van Agamben stamt uit 2002 en wordt besproken omdat zijn visie erg contrasteert met die van Kennedy. Agambens boek stelt dat de democratie in het Westen langzaam maar zeker vervangen wordt door biopolitiek; een bestuursvorm die niet alleen democratische vrijheden onderdrukt, maar ook diep ingrijpt in het lichamelijke, biologische bestaan van de burger.
 
Kennedy is een Amerikaan met Nederlandse roots. Hij beschrijft in Bezielende verbanden zijn visie op de Nederlandse geschiedenis van de afgelopen 150 jaar en stelt dat binnen deze geschiedenis ongeveer vier opeenvolgende fasen zijn te onderscheiden. Begin negentiende eeuw bestond er in Nederland een blanke, protestantse meerderheidscultuur die geleid werd door een verlichte elite. Aan deze situatie kwam in de loop van de negentiende eeuw een einde toen de grondwet van Thorbecke uit 1848 het de katholieken en later ook de gereformeerden het mogelijk maakte zichzelf te organiseren in maatschappelijke zuilen. Nederland werd een land van minderheden die alleen op het hoogste bestuursniveau samenwerkten maar verder een eigen leven leidden. In de jaren zestig van de twintigste eeuw begon het proces van de ontzuiling en ontstond er in Nederland een progressief, sociaal en anti-autoritair engagement dat door het grootste deel van de bevolking gedragen werd. Het was de tijd van het multiculturalisme, de verzorgingsstaat en het gedoogbeleid. De vierde en voorlopig laatste fase in de culturele ontwikkeling van Nederland ziet Kennedy beginnen vanaf het einde van de jaren negentig van de twintigste eeuw. Net als begin negentiende eeuw ontstaat er opnieuw een blanke meerderheidscultuur, niet van protestanten maar van seculiere burgers. Religie en de kerken voorop zijn in een een proces van marginalisering terecht gekomen en de weten zich niet goed raad met hun nieuwe positie. Onder de burgers heerst ontevredenheid en onvermogen om met minderheden in eigen land, globalisering en marktwerking in de samenleving om te gaan.
Het is zeker niet zo dat Kennedy nostalgisch terugblikt op de voorafgaande drie fasen en de huidige situatie als de slechtste ziet. Wel is hij van mening dat het verleden aanknopingspunten kan bieden om met de maatschappelijke vragen van vandaag constructief om te gaan. De sleutelwoorden van de Kennedy’s remedie tegen hedendaagse problemen zijn “herinneren”en “debatteren”. Wat Kennedy, als Amerikaan, opvalt als hij kijkt naar het Nederland van de afgelopen 150 jaar, is dat de bevolking sterk hecht aan maatschappelijke consensus en dat die consensus wordt gezocht in het voldoen aan de vermeende de ‘eisen van de tijd’. Meningen die afwijken van de consensus, worden als ‘uit de tijd’ gediskwalificeerd en op die manier lijdt het maatschappelijk debat in Nederland volgens Kennedy aan diepgang, in tegenstelling tot de publieke debatten in landen als de VS, Frankrijk en Duitsland. Het streven om ‘eigentijds’ te zijn maakt mensen onkritisch voor de tekortkomingen van vigerende opinies en verhindert het zicht op oplossingen voor maatschappelijke problemen die in een eerder tijdvak gevonden werden. Kennedy vindt het bijvoorbeeld verbazend dat Nederlanders jarenlang softdrugs gedoogden, maar de laatste jaren dit beleid zonder veel discussie vaarwel zeggen. Hetzelfde kan gezegd worden over het vreemdelingenbeleid. Kennedy stelt dat het serieus nemen van recente geschiedenis het maatschappelijk debat zou kunnen verrijken. Afwegingen die in het verleden gemaakt zijn, kunnen ook nu nog debatten inspireren en anderzijds relativeert de geschiedenis problemen van nu. Als men het snel eens wil worden en ‘bij de tijd’ wil zijn, komt dat ten nadele van de kwaliteit van het publieke debat. Als men een beter publiek debat wil in Nederland, merkt Kennedy op dat daar wel een prijs voor moet worden betaald. Mensen moeten in staat zijn onderlinge verschillen langer (of misschien wel heel lang) uit het houden. Maar dit is nodig als we elkaar (en elkaars eigenheid en verschillen) in Nederland serieus willen blijven nemen, meent hij. Ook al voelt dat ‘uithouden’ voor ons als naar consensus zoekend volk vreemd aan. We zullen moeten leren dat onenigheid niet meteen ruzie is en een gesprek over gelijk niet altijd een strijd om het eigen gelijk, aldus Kennedy.

 
Kennedy spreekt in Bezielende verbandenook over de protestantse kerken. Zij vormen mede (maar niet alleen) de verbanden die de samenleving leefbaar maken. De Protestantse Kerk in Nederland en haar voorlopers hebben eeuwenlang een bijzondere band en verantwoordelijkheid gevoeld voor ons land. Protestant zijn en volwaardig burger zijn hoorden lange tijd bij elkaar. Daar is met de secularisatie vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw en met name met het ‘afschudden van de ideologische veren’ in de samenleving vanaf de jaren negentig definitief een einde aan gekomen. De Protestantse Kerk wil echter nog steeds haar stem laten horen in de samenleving en is zich er tegelijkertijd steeds meer van bewust van die samenleving geen boodschap heeft aan het geluid dat zij laat horen. Bovendien is dat geluid nogal onbepaald, aan de ‘grijze’ kant, meent Kennedy. De kerk weet dat spreken vanuit de oude, vertrouwde positie niet meer mogelijk is maar heeft nog niet erg haar nieuwe plaats in de marge gevonden. Dat valt ook te zien aan het enigszins krampachtige streven om ‘maatschappelijk relevant’ te zijn of te blijven. Evenals bij zijn analyse van de Nederlandse debatcultuur stelt Kennedy dat ook de Kerken er baat bij zou kunnen hebben positiever met het verleden om te gaan dan nu het geval is. Het verleden kan kerken helpen in een geseculariseerde samenleving opnieuw een eigen plaats te vinden. Protestanten zouden bijvoorbeeld kunnen overwegen een herinneringscultuur van de reformatie te beginnen die hen helpt in een seculiere omgeving opnieuw een identiteit te vinden. Opmerkelijk genoeg noemt Kennedy de kleine christelijke kerken als voorbeeld van hoe de voormalige grote kerken het zouden kunnen aanpakken. De kleine kerken hebben een evenwicht gevonden tussen hun eigen marginale identiteit en het grotere geheel van de Nederlandse samenleving waarin zij zich bevinden.

 
Als denker hoort James Kennedy naar mijn mening thuis in de traditie van de moderniteit, die wortelt in de Verlichting. Kennedy ziet de mens als een vrij wezen dat zelf vorm kan geven aan de wereld waarin hij leeft. De vrije mens sticht een democratische samenleving met wetten die zijn uitgevaardigd door een gekozen regering. Als de samenleving of de regering niet goed functioneren, kunnen de burgers via nieuwe verkiezingen, burgerlijke ongehoorzaamheid of zelfs revolutie ervoor zorgen dat recht wordt hersteld en mensen weer in vrede kunnen leven. Giorgio Agamben daarentegen zie ik meer als een postmodernist; een culturele en filosofische stroming die stelt dat het project van de moderniteit op zijn einde loopt. Dit project had hoge verwachtingen van de autonomie van de mens, maar hield geen rekening met de macht van de commercie, het geldwezen, seksualiteit, hebzucht, erfelijkheid, criminaliteit en tal van andere factoren die de autonomie van de mens aantasten of zelfs onmogelijk maken. In zijn boek stelt Agamben dat de totalitaire regimes van de twintigste eeuw, met name die van het Derde Rijk, geen verbijsterende afwijking waren van de ‘normale’, moderne loop van geschiedenis, maar een voorsmaak van onze toekomst. Centraal in Agambens analyse staat in dit verband het begrip “biopolitiek.” Biopolitiek is politiek handelen dat direct betrekking heeft op biologische aspecten van het menselijk leven, met als uitersten leven en dood. Agameben stelt dat in voor-moderne en moderne tijden biopolitiek handelen zeldzaam was; het had betrekking op bijzondere personen, zoals bijvoorbeeld de homo sacer uit de Romeinse tijd. De homo sacer was iemand die door de rechter vogelvrij verklaard was, waardoor hij door iedereen gedood mocht worden zonder dat dit als moord gold. Maar in de twintigste eeuw wordt de homo sacer in het Derde Rijk een paradigma voor politiek in het algemeen. Aan de hand van biologische kenmerken (blauwe ogen, blond haar, et cetera) worden gedefinieerd wat Duits en gezond is. Alles wat niet-Duits en gezond was, kon voorwerp worden van een politiek waarin men gedood kon worden zonder dat er sprake was van moord. Na 1945 herneemt de ‘normale’ geschiedenis van het Westen weer haar loop, maar Agamben stelt toch dat biopolitiek handelen stilaan weer een steeds grotere rol gaat spelen in overheidshandelen met betrekking tot alleburgers. DNA sporen worden gebruikt in bewijsvoering in strafzaken. Biometrische persoonskenmerken gaan een rol spelen in paspoorten Digitale medische dossiers worden gecentraliseerd. Agamben stelt dat in de toekomst overheid, biomedische wetenschappen en wetgeving hechter met elkaar vervlochten zullen raken en burgers meer het voorwerp zullen worden van biopolitiek. Als een zuiver voorbeeld van hedendaagse een biopolitieke situatie, noemt Agamben de situatie van de ‘hersendode’ comapatiënt. Het bestaan van de comapatiënt is afhankelijk van medische apparatuur en zweeft tussen leven en dood. Wat “leven” en “dood” is, kan niet meer worden beantwoord met een beroep op de natuur, maar wordt een kwestie van menselijke conventie (biopolitiek handelen). Deze conventie bepaalt momenteel dat onder “dood” ook hersendood (de afwezigheid van activiteit in de hersenen) valt. Deze verruiming van het begrip “dood” maakt het mogelijk dat uit een comapatiënt organen genomen worden, zonder dat dit moord is. Zo schept biopolitiek nieuwe medische mogelijkheden.
Ik ben van mening dat de positie van Agamben over het einde van de moderniteit en het bestaan en de omvang van biopolitiek in hedendaags en toekomstig overheidsbeleid en medisch handelen met een stevige korrel zout genomen moet worden. Het is enigszins grotesk om in het Derde Rijk een voorloper te zien van onze eigen toekomst. Toch denk ik dat zijn boek niet zomaar terzijde geschoven hoeft te worden. Agamben is een filosoof en anders dan politici of historici, hebben filosofen mijns inziens een taak om bepaalde ontwikkelingen in de huidige samenleving uit te vergroten en het maatschappelijk debat daarover op gang te brengen. Een voorstel hoeft niet meteen reëel te zijn, maar moet m.i. in ieder geval wel prikkelend zijn. Agambens notie van biopolitiek moedigt aan om met een kritische blik te kijken naar overheidshandelen dat onze privacy, persoonlijke vrijheid en wellicht lichamelijke integriteit kan aantasten. Bovendien rijst de vraag (in ieder geval bij mij) wat eventueel de rol van religie en levensbeschouwing in zo’n ‘biopolitieke’ samenleving kan zijn. Een antwoord is wellicht dat bijvoorbeeld kerken zich zouden kunnen gaan gedragen als waakhond van humaniteit en vrijheid, samen met partners die daar ook belang aan hechten. Humaniteit en vrijheid zijn in onze wetgeving weliswaar geborgd, maar moeten vanuit en door de samenleving wel blijvend gekoesterd worden. Ik ben daarom van mening dat een louter inhoudelijke herbezinning op de eigen identiteit, zoals Kennedy die voorstelt met zijn in te richten herinneringscultuur, op zichzelf tekort schiet. Het maakt van kerken musea voor ‘spiritueel erfgoed’. Ook een visie op de samenleving is nodig voor kerken die als kerk en als maatschappelijke ‘speler’ actief willen zijn. Er zou wat dat betreft tussen ‘herbezinning naar binnen’ en ‘activiteiten richting de samenleving’ een nieuw evenwicht gezocht moeten worden. Voor geestelijk verzorgers die niet kerkelijk gebonden zijn, is de rol van bemiddelaar in het (maatschappelijk) debat wellicht interessant. Kennedy stelt dat uitwisseling van standpunten in Nederland vaak moet wijken voor consensus. Ik denk dat hij hier een punt heeft en consensus mensen, ook op een ziekbed, het kan bemoeilijken na te denken over wat ze nu eigenlijk zelf van hun specifieke situatie vinden, op enige afstand van wat ‘anderen’ vinden dat hoort of goed is.

* Archie de Ceuninck van Capelle (1977) studeerde in Nijmegen en is sinds 2008 r.k. geestelijk verzorger in VU medisch centrum te Amsterdam.

Frans Vosman en Andries Baart, Aannemelijke zorg [recensie]

Frans Vosman en Andries Baart, Aannemelijke zorg. Over het uitzieden en verdringen
van praktische wijsheid in de gezondheidszorg. Uitgeverij LEMMA, Den Haag, 2008,
ISBN 978-90-5931-306-4, 137 pagina’s, 26 euro.

[Eerder verschenen in Tijdschrift Geestelijke Verzorging 55, p. 80 (2009)

 

Door Archie de Ceuninck van Capelle, geestelijk verzorger in het VUmc te Amsterdam.

Op 24 oktober vorig jaar hielden Frans Vosman en Andries Baart, voor de lezers van
dit blad geen onbekenden, een dubbeloratie bij het aanvaarden van hun opdracht voor
de Tilburgse leerstoelen “Christelijke ethiek en spiritualiteit” (Vosman) en “Presentie
en zorg” (Baart). De oratie werd in datzelfde jaar in uitbreide vorm gepubliceerd onder
de titel “Aannemelijke zorg. Over het uitzieden en verdringen van praktische wijsheid
in de gezondheidszorg”. Men zou “Aannemelijke zorg” als een tweeluik kunnen zien,
waarbij Vosman in het eerste deel het morele aspect van praktische wijsheid in de zorg
in het vizier neemt en Baart in het tweede deel het vakmatige of ambachtelijke aspect.
Vosman en Baart concentreren zich in “Aannemelijke zorg” met name op het werk
van verpleegkundigen en artsen in de context van de hedendaagse zorgorganisatie. Zij
reflecteren op de vraag over hoe in het werk van verpleegkundigen en artsen praktische
wijsheid ontstaat, groeit en beschermd kan worden. Om twee redenen is het boek
ook interessant voor geestelijk verzorgers. Ten eerste werken we dikwijls samen met
verpleegkundigen en artsen of worden we geacht dat te doen. Ten tweede werken we
net als verpleegkundigen en artsen in een hedendaagse zorgorganisatie, die, zoals in het
boek nog eens onderstreept wordt, een eigen agenda en dynamiek heeft. Wat betekenen
die agenda en dynamiek voor de dagelijkse praktijk van de professionals die in zo’n
organisatie werken?

Wat de auteurs met “praktische wijsheid” bedoelen, maakt met name Vosman duidelijk
in het eerste deel van het boek. Hij wil met dit begrip het alledaagse, morele handelen
van de professional in het vizier krijgen. Om dit te realiseren, moet Vosman flink tegen
de stroom oproeien. Zowel institutionele factoren als dominante ethische overwegingen
maken het scherpstellen op alledaags moreel handelen moeilijk. Dominant in de
zorgethiek is momenteel de zogenaamde consequentialistische benadering. Deze

benadering beschouwd goede zorg als de mix van handelingen die leiden tot (als
consequentie hebben) het beste resultaat voor de patient. Dit resultaat is, als het even
kan, meetbaar en de weg ernaar toe berekenbaar en herhaalbaar. Al wijst Vosman
de consequentialistische benadering niet geheel af (het is tenslotte al heel wat dat er
überhaubt over ethiek en moraliteit wordt nagedacht in de gezondheidszorg), is hij
toch van mening dat deze benadering onvoldoende is om het morele handelen van
professionals te analyseren, precies omdat deze methode het handelen van de professional
als een functie van goede zorg beschouwd, en niet als iets dat intrinsiek tot goede zorg
behoort of zelfs goede zorg is. De consequentialistische benadering heeft dus een grote
blinde vlek, aldus Vosman. Om het alledaagse morele handelen wél in beeld te brengen
(uit te zieden), haalt Vosman maar weer eens de analyses van Aristoteles, Thomas van
Aquino en Paul Ricoeur over phronesis en prudentia van de plank; begrippen die (in
de katholieke moraalfilosofie) traditioneel gebruikt worden om het alledaagse morele
handelen te overdenken en te systematiseren.

In zekere zin parallel aan de versmalling van de ethiek (van een normatieve benadering
van zorgen naar een functionele), signaleert Vosman een versmalling van de morele
portée van het zorginsituut. Waar dit instituut voorheen was ingebed in een politiek en
moreel discours (al dan niet van religieuze signatuur), is het nu iets op zichzelf geworden,
met een eigen dynamiek en besturingsfilosofie die zichzelf als functioneel en objectief
ziet en min of meer (dat hangt vaak af van de wijze waarop die institutie omgaat met
haar levensbeschouwelijke ‘oorsprong’) haar politieke en morele aspecten ‘verdringt’.
Wie zich bezig wil gaan houden met praktische wijsheid op de werkvloer, moet er dus
rekening mee houden dat daar niet automatisch ruimte voor is. Deze ruimte dient in meer
of mindere mate bevochten te worden of moet in ieder geval weer afgestoft worden om
gebruikt te kunnen worden.

Waar Vosman praktische wijsheid vorm geeft vanuit een fundamentele ethische reflectie
op zorgen en de zorginstitutie, benadert Baart in het tweede deel van “Aannemelijke
zorg” praktische wijsheid vanuit zijn presentietheorie, die hij verbindt met een
uitgebreide reflectie op zorgen als praktijk. Hij gaat daarbij niet zozeer op een
moraalfilosofische manier te werk. Baart heeft vooral oog voor het ambachtelijke,
vakmatige aspect van praktische wijsheid. Tenslotte is professioneel handelen niet alleen
moreel handelen, maar ook vakmatig of ambachtelijk handelen. Beide aspecten horen bij
elkaar, maar dienen ook van elkaar onderscheiden te worden. Het ambachtelijke aspect
van goede zorg komt nu niet goed in beeld, aldus Baart, omdat het in de zorg steeds meer
gaat om werken op grond van evidence-based knowledge. Nu is er met werken op grond
van evidence-based knowledge op zichzelf niets mis, maar het lijkt erop dat de nadruk op
evidence-based knowledge de zogenaamde “taciete kennis”, verdringt, een type kennis
dat vooral tot stand komt door ervaring en dat stilzwijgend en impliciet een belangrijke
rol speelt in het werk van professionals. Men kan op papier het werk van professionals
beschouwen als het sec toepassen van evidence-based richtlijnen en protocollen, maar de
praktijk op de werkvloer is anders. Daarom stelt Baart voor om zorgpraktijken te

analyseren als praktijken, zodat de theoretische versmalling van het werk van
professionals tot toepassers van richtlijnen omgevormd wordt tot een analyse waarin aan
de ambachtelijkheid, praktijkervaring en implicitiete kennis van de professional recht
wordt gedaan. Voor zijn praktijkbegrip doet Baart vooral een beroep op het werk van
MacIntyre, en in mindere mate op dat van Ricoeur. Praktijken bundelen losse
handelingen tot een samenhangend geheel dat een eigen, inherente logica heeft, zowel in
ambachtelijke als in zingevende zin. Bovendien zijn praktijken altijd ingebed in een
gemeenschap. In zekere zin vraagt Baart respect voor praktijkbeoefenaars. Zij doen werk
dat, in ambachtelijke zin, intrinsieke waarde heeft en dat beschermd moet worden tegen
krachten die ambachtelijkheid en impliciete kennis willen vervangen door een type
handelen dat vooral intervenierend van aard is. Waarmee men weer is uitgekomen bij
Baarts presentietheorie, die interventie tegenover presentie stelt.

Wat men met de analyses van Vosman en Baart kan doen in een zorgorganisatie,
hangt volgens mij sterk af van de positie die men in zo’n organisatie inneemt. De
welwillende zorgbestuurder zal wellicht niet al te veel ruimte ervaren om af te wijken
van het dominante, a-politieke besturingsmodel. Ik denk dat het al heel wat is als een
zorgbestuurder niet alleen in naam, maar ook in werkelijkheid uit is op de beste zorg voor
de patient en dat men al heel blij mag zijn als voor de consequentialistische benadering
gekozen wordt, ook al schiet die dan volgens Vosman op belangrijke punten tekort. Ik
heb sympatie voor zijn betoog, maar vraag me echt af of zijn benadering in de meeste
Nederlandse zorgorganisaties haalbaar is. We moeten m.i. opppassen niet teveel de
zedenmeester uit te hangen, daar krijg je de meeste zorgbestuurders en behandelaars
niet mee over de streep! Wellicht biedt de noemer “ambachtelijkheid” wél een bruikbare
eerste ingang. Professionaliteit en ambachtelijkheid hebben veel organisaties hoog
in het vaandel staan, zowel bij zorgbestuurders als bij verpleegkundigen en dokters.
Iedere organisatie wil professioneel zijn en iedere professional kundig. En als eenmaal
praktische wijsheid als ambachtelijk en vakkundig handelen vaste grond heeft gekregen
in het verhaal, de identiteit van de organisatie, dan kan stilaan ook het morele aspect
van praktische wijsheid ter sprake worden gebracht. Maar niet andersom, zoals
in “Aannemelijke zorg” gebeurt! En de geestelijk verzorger? Die moet volgens mij
niet meteen iets zeggen over praktische wijsheid, maar die eerst doen. Uit haar aard is
praktische wijsheid immers iets dat van praktische, zichtbare aard is. Als we als geestelijk
verzorgers dus vooral iets zeggen over praktische wijsheid zonder die te doen, laten we
dus zien dat we de aard van praktische wijsheid in wezen niet begrepen hebben. En dat
is niet goed voor ons imago, waarin we onszelf toch graag zien (en aan anderen tonen)
als ‘autoriteit’ en ‘deskundige’ op het terrein van levensbeschouwing en ethiek.

De Lange, Frits: De armoede van het zwitserlevengevoel [recensie]

De Lange, Frits: De armoede van het zwitserlevengevoel. Pleidooi voor beter ouder worden. Meinema, Zoetermeer, 2008, ISBN 9789021141848, 159 pagina’s, € 14,50

[Eerder verschenen in Tijdschrift Geestelijke Verzorging 50, p. 66 (2008)]

Door: Archie de Ceuninck van Capelle
Geestelijk verzorger ZZG Zorggroep te Nijmegen

Frits de Lange, hoogleraar te Kampen, schrijft een vermakelijke en vlot geschreven
tirade tegen de dromen van de ouderen van morgen. Voor hun ouders, de
hoogbejaarden van nu, kwam de uitgestrektheid van de zogenaamde derde leeftijd
nog als een verrassing. Van de opbouwgeneratie rekende er niemand op dat hun
gemiddelde levensverwachting zich zou gaan uitstrekken naar tachtig jaar en hoger.
Maar de babyboomer weet wel beter. Hij zal zich niet laten verrassen. Na zijn
pensionering (als het even kan ruim voor de 65) strekt er zich nog een zee van tijd uit
waarin hij zijn ultieme dromen van vrijheid en autonomie, na een leven van sloven in
loondienst, eindelijk kan realiseren. De Lange beaamt dat er inderdaad er in de loop
van de twintigste eeuw een compleet nieuwe fase in de levensloop van de westerse
mens is bijgekomen. Het is niet zonder meer duidelijk is hoe deze levensfase zinvol
kan worden ingevuld. We hebben er simpelweg nog nooit eerder in de geschiedenis
mee te maken gehad. De Lange is het met de babyboomer eens dat de toegenomen
levensduur van de meeste mensen in het Westen geweldige kansen in zich bergt.
Maar hij verzet zich tegen het plan van de aankomende ‘nieuwe’ ouderen om het
laatste deel van hun leven voor te stellen als een zwitserleven. Om te beginnen berust
het ideaal van het zwitserleven, volgens De Lange eigenlijk niets meer dan een
opgepimpte versie van het middeleeuwse Cocagne (luilekkerland), op een zwaar
verouderde visie op arbeid. Ja, de oude Karl Marx had het nog zo gek niet bekeken
toen hij schreef dat arbeid in principe iets goed is, zolang de arbeidende mens niet
vervreemd van zijn arbeid. Arbeid kan de mens echt helpen gelukkig te worden en op
een zinvolle manier vorm te geven aan zijn leven en identiteit. In het hoofdstuk “Hoe
lang moet jij nog” beschrijft De Lange echter dat deze visie op arbeid als iets goeds
onder babyboomers bepaald niet courant is. Ze doen alsof ze allemaal hun hele leven
achter de lopende band hebben gestaan of met blote handen aardappels hebben
gerooid en ze nu eindelijk (bijna) van nare, zware arbeid verlost zijn. In feite was dat
vooral de situatie van hun grootouders, die inderdaad dikwijls (helaas) geen arbeid
konden doen die als zinvolle levensinvulling kon gelden en die na hun pensioen vaak
ook snel stierven. Maar voor de babyboomer ligt dat anders, aldus De Lange. Als hij
niet al tijdens zijn loopbaan zinvoller werk heeft kunnen doen (en dat is wegens het
sterk verbeterde opleidingsniveau vaak al zo geweest), heeft hij na zijn 65e
verjaardag tegenwoordig de tijd om te werken op een manier die zin en vervulling
geeft. Want maar niks doen en luieren, zoals het zwitserlevengevoel dat voorspiegelt,
kan voor De Lange niet bevredigend zijn. Werk geeft mensen een identiteit,
voldoening en een goed gevoel. Permanent op vakantie zijn gaat gruwelijk vervelen.
De Lange haalt er op het einde van zijn boek nog Aristoteles bij met zijn
eudamonistische ethiek om dit laatste punt nog verder te onderbouwen. Geluk, zo
stelt De Lange met Aristoteles, is niet iets wat op zichzelf staat, is ook geen gevoel,
maar het resultaat van het kiezen van het juiste midden, bijvoorbeeld een midden
tussen werken en rusten, tussen doen en laten. Geluk is altijd een bijproduct van de
activiteit, de geslaagde activiteit, die weer het resultaat is van de juiste afwegingen.
Het goede doen, het juiste kiezen is veel complexer dat het onbekommerd lurken aan
een cocktail op een exotisch terras. Maar het levert ook veel meer geluk op. Het
boek “De armoede van het zwitserlevengevoel” is voor geestelijk verzorgers aardig
omdat het een kijkje geeft in de leefwereld van de ouderen van morgen, de
beleidsmakers in de gezondheidszorg van nu. Maar bij lezing van het boek voelde ik
me als begin dertiger ook wel heel ver staan van het onderwerp. Ik heb het gevoel
dat voor mijn generatie en jonger het zwitserlevengevoel niet is weggelegd. Wij
beginnen nu alvast maar zelf met sparen, omdat door de “na-ons-de-zondvloed
mentaliteit” van de huidige ouderen tegen de tijd dat wij oud zijn, de
keuzemogelijkheid om na je pensionering “zinvol door te werken”, zoals De Lange dat
voorstelt, niet meer bestaat. Je moet doorwerken, omdat weinig jongeren voor veel
ouderen zullen moet blijven zorgen. Dat maakt m.i. dat de discussie die De Lange wil
aangaan, vooral de babyboomers zelf aangaat, maar niet zozeer hun kinderen, die
ook inmiddels alweer een paar jaar gearriveerd zijn in het arbeidzame deel van hun levensloop.

Ruiken aan de vrijheid [essay]

R u i ke n a a n d e v r i j h e i d
O f : Wa a rom g e e s t e l i j ke ve r z o r g i n g o p
d e h e l l i n g mo e t b l i j ve n

(Eerder verschenen in Zin in Zorg 4, p. 10 (2006))

Dat geestelijke verzorging in een zorginstelling beschikbaar dient te zijn, is geregeld in de kwaliteitswet. Maar bestuurders in zorginstellingen krijgen in de nabije toekomst meer vrijheid in de wijze waarop zij geestelijke verzorging aan hun cliënten aanbieden. Bestuurders en geestelijk verzorgers moeten die vrijheid met beide handen aangrijpen om zorgorganisaties te verbeteren, aldus Archie de Ceuninck van Capelle.

In de praktijk van de afgelopen
decennia is geestelijke verzorging
meestal verleend door
ambtsdragers van kerken en het
humanistisch verbond die verenigd
zijn in de Vereniging van Geestelijk
Verzorgers in Zorginstellingen
(VGVZ). Deze vereniging staat
voor de opvatting dat geestelijke
verzorging een dubbele identiteit
heeft. Geestelijke verzorging is “(…)
de professionele en ambtshalve
begeleiding van (…) mensen bij
zingeving aan hun bestaan (…).”
Professionaliteit heeft betrekking
op de scholing in begeleiding van
mensen in geestelijke nood. Het
ambtelijk karakter betekent dat
deze begeleiding niet alleen uitgaat
van de zorginstelling, maar ook
van de kerk waaraan de geestelijk
verzorger verbonden is.
Vrees en genot
Deze opvatting van geestelijke
verzorging staat momenteel onder
druk. Naast ambtsdragers (zeg maar
predikanten en priesters) zijn de
laatste jaren in zorginstellingen

ook anderen professioneel actief
geworden, zowel binnen als buiten
de kaders van de kerken. Er zijn er
die deze ontwikkelingen ervaren
als een bedreiging. Maar we
kunnen ze ook positief opvatten.
Er komt meer diversiteit en dus
krijgen zowel geestelijk verzorgers
als managers meer te kiezen
als het gaat om het werven van
personeel en het vinden van een
werkgever. Een voorwaarde is wel
dat beide groepen ook werkelijk
gebruik gaan maken van de nieuwe
vrijheid die aan het ontstaan is.
Tot nu toe gebeurt dat nog maar
mondjesmaat. Ik hoop echter dat
er een proces van vernieuwing op
gang komt en men gaat zien dat
vrijheid niet alleen te vrezen maar
ook te genieten valt!
Zachte waarden
Hoe kan de nieuwe vrijheid
benut worden als een kans voor
positieve ontwikkelingen? Zelf
laat ik mij met betrekking tot
deze vragen inspireren door het
werk van de Utrechtse filosoof

Harry Kunneman. Hij stelt in zijn
laatste boek Voorbij het dikke-ik dat
organisaties zich in beleidsvorming
over productie laten leiden door
een manier van denken die
ontleend is aan de wetenschappen.
Dit betekent dat beheersing,
controle en voorspelbaarheid in
beleidsvorming centrale waarden
zijn. Kunneman stelt dat dit
smalle spectrum van waarden
nodig aan verrijking toe is. Naast
de ‘harde’ waarden die ontleend
zijn aan het wetenschappelijke,
financiële en economische domein,
dienen ook ‘zachte’ waarden in
de beleidsvorming te worden
opgenomen. Zachte waarden
zijn vaak afkomstig uit filosofie
of religie en hebben onder meer
betrekking op humaniteit en
duurzaamheid. Met deze oproep
van Kunneman ben ik het van harte
eens. Waarom? De praktijk laat
zien dat harde waarden een guur
klimaat veroorzaken als ze niet in
evenwicht zijn met zachte waarden.
Men zou deze situatie kunnen zien
als een akker op een helling. Er is

een houtwal nodig op de helling
om de aarde vast te houden waarop
het gewas kan groeien. Het nut van
de wal is indirect. In direct opzicht
is de houtwal nutteloos aangezien
hij alleen maar de plaats inneemt
waarop gewas had kunnen groeien.
Als de houtwal gerooid wordt, zal
de akker korte tijd meer gewas
opleveren. Maar daarna zal het snel
bergaf gaan met de opbrengsten
omdat de grond wegspoelt en
het microklimaat op de helling te
extreem wordt. In zorginstellingen
zijn de ‘houtwallen’ meestal nog
wel aanwezig. Maar ze staan
er een beetje verwaarloosd bij.
Managers kunnen ervoor kiezen
hierin verandering te brengen
en de zachte waarden weer te
gaan zien als een integraal deel
van hun organisatie. Zaken als
de creativiteit van medewerkers
en de persoonlijke identiteit van
de cliënt kunnen binnen deze
waarden weer een echte plaats
krijgen in de instelling. In financiële
en economische verhalen delven
persoonlijke betrokkenheid en
identiteit vaak het onderspit.
Terwijl het iedereen duidelijk is dat
die belangrijk zijn, zeker in de zorg!
Geen afwachtende houding
Tot nu toe wordt de keuze voor
een verrijkte analyse van productie,
beleid en kennis in de organisatie
nog maar weinig gemaakt. Hoe
komt dat? Een belangrijke reden
is naar mijn idee dat overheden
en wellicht ook zorgverzekeraars
tot nu toe het denken in harde
waarden sterk hebben gestimuleerd
en geen aandacht hebben besteed
aan de zachte waarden. Vaak wordt
deze hervorming waargenomen
als wéér extra druk op de toch
al bedreigde zachte waarden
in de zorg. Maar is dit ook zo?
Momenteel zien we dat overheden
en zorgverzekeraars zich gaan
interesseren voor zachte waarden.
Kijk maar eens hoe ze zich storten
op het bij uitstek zachte onderwerp

van leefstijl. Uit onderzoeken blijkt
dat een ongezonde leefstijl de
zorgverzekeraar veel geld kost. Dus
gaan overheden en zorgverzekeraars
de straat op met adviezen over
stoppen met roken, gezonder eten
en meer bewegen. Hoe effectief
deze initiatieven zullen zijn, is nog
niet duidelijk. Maar interessant is
wel dat precies diegenen die het
denken in harde waarden opleggen
aan anderen zich óók inzetten
voor een zacht thema als leefstijl.
Waarschijnlijk hebben de overheden
en verzekeraars laten doorrekenen
of de kosten van preventie opwegen
tegen de verwachte besparingen
in de zorg. Maar wat is daar
verkeerd aan? Men zou preventie
kunnen zien als het noodzakelijke
onderhoud aan de houtwal op de
akker. Het komt uiteindelijk aan
de continuïteit, beschikbaarheid
en kwaliteit van zorg in onze
samenleving ten goede. Mijn idee is
dat beslissers in zorginstellingen af
zouden moeten van de afwachtende
houding tegenover de organen
die hun financieren. Natuurlijk
is er geld nodig voordat beleid
veranderd kan worden. Maar het
is naar mijn idee ook een kwestie
van mentaliteit. Wie op zoek is naar
ruimte om naar eigen vrijheid in te
vullen, zal die ook vinden. Ook als
deze ruimte maar klein is. Binnen
deze ruimte kan de organisatie zich
onderscheiden van anderen op de
markt van de zorg.
Ik ben me ervan bewust dat men
ook andere analyses kan maken van
zorg, markt, beleid en productie.
Bestuurders en managers zullen zelf
moeten beslissen welke analyses zij
vinden passen bij hun ideeën over
de toekomst van hun organisatie.
Waartoe ik wil aanmoedigen is
dat zij ook werkelijk gebruik gaan
maken van de vrijheden die hun zijn
toebemeten. Daarbij hoop ik dat ze
verrijkte afwegingen maken waarin
zachte én harde waarden zinvol met
elkaar verbonden worden.

De expert in zachte waarden
Men kan zeggen dat geestelijk
verzorgers van oudsher expertise
hebben opgebouwd in het omgaan
met zachte vragen. Helaas zijn
ze vaak niet goed toegerust om
ondersteuning te geven in het
verbinden van zachte met harde
waarden. Dikwijls ervaren zij deze
waarden als tegengesteld. Zij willen
niet accepteren dat financiële
en economische overwegingen
gewoon een gegeven zijn en zachte
waarden geen betekenis hebben
als zij niet verbonden worden met
harde beslissingen. Met dit laatste
hebben veel geestelijk verzorgers
moeite. Zij zien de verbinding als
een bedreiging omdat die de hoog
geachte zachte waarden profaan
zou maken. Het denken over ambt
en vrijplaatsfunctie wordt in mijn
ogen dikwijls als een vluchtheuvel
misbruikt om zich aan echte
betrokkenheid bij keuzen over geld,
waarden en beleid te ontrekken.
Bestuurders die geestelijk
verzorgers willen aantrekken
om hun organisatie te verrijken
met zachte waarden, zullen goed
moeten opletten. Er bestaan
geestelijk verzorgers die de kunst
van het verrijken verstaan, maar
ze zijn vooralsnog niet herkenbaar
aan opleiding en positie binnen of
buiten de kerk. Hopelijk komt deze
herkenbaarheid er in de toekomst
wel. Tot die tijd dienen beslissers
aan de sollicitatietafel goed op te
letten wie ze in huis halen. Ik wens
hen veel succes.

Archie de Ceuninck van Capelle (1977)
studeerde theologie en filosofie in
Nijmegen. Sinds 2002 is hij geestelijk
verzorger bij Zorggroep Zuid-Gelderland,
een instelling voor ouderenzorg
met vestigingen in Nijmegen,
Groesbeek en Wijchen.
Daarnaast is hij onder andere redacteur
van Tijdschrift Geestelijke Verzorging.